(vrijdag 27 april 2012)
Wie veel tijd doorbrengt in wachtkamers van belastingkantoren of telecombedrijven, wie regelmatig aan het lijntje wordt gehouden, wie steeds opnieuw van het kastje naar de muur wordt gestuurd of zich stelselmatig gemangeld voelt in de raderen van anonieme instanties, die weet wat kafkaesk betekent ook al heeft hij nog nooit een letter van Kafka gelezen.
‘Iemand moest Josef K. belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads had gedaan,
werd hij op een morgen gearresteerd.’
Deze eerste zin van ‘Het proces’ is misschien wel de beroemdste uit de wereldliteratuur. Dat is niet zo vreemd want op het eerste gezicht lijkt deze opening perfect. Er wordt niet alleen de nachtmerrieachtige, onheilspellende sfeer van wat zal volgen, aangekondigd, ook behelst de zin een onomwonden weergave van het belangrijkste thema van de roman: het probleem van de schuld.
Voor iedereen die ‘Het proces’ (nog) niet heeft gelezen en ter opfrissing van het geheugen van alle anderen: ‘Het proces’ gaat over een man genaamd Josef K. die volkomen onverwacht in staat van beschuldiging wordt gesteld. Jozef K. krijgt eerst een vorm van huisarrest, wordt daarna weliswaar weer op vrije voeten gesteld, maar dient zich op gezette tijden te komen verantwoorden voor de rechtbank. Waar die rechtbank precies gevestigd is, wie de rechters zijn, hoe hij zich kan verdedigen, en – het allerbelangrijkste – wat hem precies ten laste wordt gelegd, blijft gedurende het hele boek volledig duister.
Er zijn voortdurend mensen die Jozef K. op zijn schuldig-zijn wijzen, zonder echter ooit concreet te worden en Josef K. beklaagt zich er steeds over dat hij helemaal niet schuldig is, maar het enige wat hem wordt tegengeworpen is dat alle schuldigen zo spreken, en dat het ontkennen van zijn schuld de zaak alleen maar erger maakt.
Volledig murw gemaakt laat Jozef K. zich aan het einde van het boek als een mak lam naar de executieplaats voeren.
Dit alles is geschreven tegen de achtergrond van een ambiance van grauwe overheidsgebouwen, bevolkt door bureauchefs en klerken die er een zeker behagen in scheppen hun cliënten met ondoorzichtige formaliteiten aan het lijntje te houden. Het belangrijkste thema in ‘Het proces’ lijkt echter niet de rol van de bureaucratie te zijn, maar het probleem van de schuld.
ongeloofwaardig
“Ik ben geheel onschuldig” blijft Jozef K. gedurende het hele boek zeggen, maar juist door het rigoureus afwijzen van alle schuld maakt hem ongeloofwaardig, want welk mens kan nu zweren dat hij volkomen onschuldig is? Iedereen draagt wel ergens enige schuld en het feit dat Jozef K. geen seconde twijfelt en alleen maar blijft herhalen dat hij absoluut onschuldig is, doet vermoeden dat hij eerder nog zichzelf dan de ander probeert te overtuigen van zijn onschuld.
Binnen de literatuurwetenschap wordt bijna 100 jaar na uitgave nog steeds volop gediscussieerd hoe ‘Het proces’ het best kan worden geïnterpreteerd. Globaal gezien zijn er drie opties: of Jozef K. is schuldig maar wil dit niet bekennen, of hij is schuldig maar kan dit zelf niet inzien, of hij is inderdaad, zoals hij zelf zegt, volkomen onschuldig.
De laatste interpretatie maakt het boek misschien wel extra gruwelijk – want Jozef K. krijgt tenslotte de doodstraf – maar tegelijkertijd zou er ook een hele dimensie verloren gaan. Veel intrigerender wordt het boek als je het zo leest dat Jozef K. wel degelijk schuldig is.
een apologie?
Wat dat betreft is het jammer dat ‘Het proces’ vanuit de derde persoon en niet vanuit de eerste persoon is geschreven. Omdat alles in hij-vorm is geschreven kan niet met 100 % zekerheid worden vastgesteld of alles wordt gezien vanuit het perspectief van Jozef K. of dat er sprake is van een alwetende verteller.
Als dit laatste het geval is wordt in de eerste zin al duidelijk dat Jozef K. onschuldig is. Dat wordt namelijk zonder meer zo gezegd, jammer, maar als je het boek leest vanuit het perspectief van Jozef, is de lezer jjuist van meet af aan geneigd te denken dat Jozef K. wel degelijk schuldig is. En zoals ik al zei: dat maakt het boek – psychologisch in elk geval – veel interessanter. Dan kan het boek zelfs worden opgevat als één groot (sluimerend) gewetensconflict.
goed schrijven is ook goed lezen
Welke schrijver worstelt niet met de vraag: schrijf ik het in de eerste of in de derde persoon? Op het eerste gezicht een onmogelijke vraag want voor allebei is wel wat te zeggen. In de ik-vorm lijkt de tekst al snel autobiografisch. Dat vind ik persoonlijk een nadeel, maar het kan natuurlijk ook een voordeel zijn. Dat ligt er maar net aan welk effect je wilt bereiken. De ik-vorm is ook veel directer. Je hebt dan ook veel minder woorden nodig, althans dat valt mij altijd op. In de hij- of zij- vorm wordt alles veel filmischer, wat ook een voordeel is, maar deze teksten worden vaak ook veel afstandelijker en omslachtiger.
Als ik het zelf niet meer weet kijk ik graag naar anderen. En ineens viel me op dat er iets heel opvallends aan de hand is in Kafka’s ‘Het proces’: je kunt er de naam Jozef K. vrijwel zonder problemen vervangen voor ‘ik’. De hij-vorm is bij Kafka dus helemaal niet afstandelijk of omslachtig. Die afstandelijkheid zit dus niet in de vorm maar in de wijze waarop die gebruikt wordt. Kafka blijkt weer eens een goede leermeester te zijn. En ik heb nog iets ontdekt: in de ik-vorm krijgt ‘Het proces’ ineens de vorm van een apologie, en een ongeloofwaardige verdedigingsrede, bovendien – wat weer een heel nieuwe dimensie toevoegt aan de stroom van interpretaties.
Ach, literatuurwetenschap: je houdt ervan of je gruwelt ervan. Reacties worden weer op prijs gesteld.
Experimentje met de eerste bladzijde van HET PROCES van KAFKA:
Iemand moest me belasterd hebben, want zonder dat ik iets kwaads had gedaan, werd ik op een morgen gearresteerd. De keukenmeid van mevrouw Grubach, mijn kamerverhuurster, die me elke ochtend tegen achten het ontbijt bracht, kwam deze keer niet. Dat was nog nooit gebeurd. Ik wachtte nog een poosje, zag van mijn kussen uit de oude vrouw die tegenover me woonde en die me met een voor haar heel ongewone nieuwsgierigheid gadesloeg, maar dan, met een gevoel van bevreemding en honger tegelijk, belde ik. Onmiddellijk werd er geklopt en een man, die ik hier in huis nog nooit had gezien, kwam binnen. Hij was slank en toch stevig gebouwd, hij droeg een nauw aansluitend zwart pak, dat als een reiskostuum voorzien was van verscheidene plooien, zakken, gespen, knopen en een ceintuur en dientengevolge, zonder dat het je duidelijk werd waartoe het dienen moest, bijzonder praktisch leek.
‘Wie bent u?’ vroeg ik en zat meteen half rechtop in bed.
De man negeerde mijn vraag alsof je zijn verschijning moest accepteren, en zei op zijn beurt slechts: ‘U hebt gebeld?’
‘Anna moet me het ontbijt brengen,’ zei ik en probeerde, eerst in stilte, door oplettendheid en nadenken uit te maken wie de man eigenlijk was.
Die echter stelde zich niet al te lang bloot aan mijn blikken, maar keerde zich naar de deur, die hij een eindje opendeed om tegen iemand, die kennelijk vlak achter de deur stond, te zeggen: ‘Hij wil dat Anna hem zijn ontbijt brengt.’
Er volgde een kort gelach in de aangrenzende kamer, uit de klank viel niet op te maken of er meer dan één persoon aan meedeed. Hoewel de onbekende man daardoor niets te weten had kunnen komen wat hij niet al tevoren wist, zei bij nu toch tegen mij op de toon van een mededeling. ‘Het is onmogelijk.’
‘Dat is iets nieuws,’ zei ik, sprong mijn bed uit en trok vlug mijn broek aan. ‘Ik wil toch eens kijken wat er voor mensen in de kamer hiernaast zijn en hoe mevrouw Grubach deze storing tegenover mij wil verantwoorden.’ Wel schoot me meteen te binnen dat ik dit niet hardop had moeten zeggen en dat ik daardoor in zekere zin een recht op controle aan de vreemdeling toekende, maar dat leek me nu niet van belang.
In elk geval vatte de vreemdeling het zo op, want hij zei: ‘Zou u niet liever hier blijven?’
‘Ik wil noch hier blijven noch door u worden aangesproken, zo- lang u zich niet aan me voorstelt.’
‘Het was goed bedoeld,’ zei de vreemdeling en deed nu vrijwillig de deur open. In de aangrenzende kamer, waar ik langzamer binnenging dan ik wilde, zag het er op het eerste gezicht haast net zo uit als de vorige avond. Het was de huiskamer van mevrouw Grubach, misschien was er in deze met meubels, dekens, porselein en foto’s volgepropte kamer vandaag wat meer ruimte dan anders, dat viel niet meteen te onderscheiden, te minder omdat de belangrijkste verandering bestond in de aanwezigheid van een man, die bij het open raam zat met een boek, waaruit hij nu opkeek.
‘U had in de kamer moeten blijven! Heeft Franz dat u niet gezegd?’
‘ja, wat wilt u eigenlijk?’ vroeg ik en ik keek van mijn nieuwe kennis naar de als Franz aangeduide, die in de deuropening was blijven staan, en daarna weer terug. Door het open venster zag je de oude vrouw weer, die met echte oude mensen nieuwsgierigheid voor het daartegenover gelegen raam was blijven staan, om ook verder alles te kunnen zien.
‘Ik wou toch even mevrouw Grubach…’ zei ik en maakte een beweging alsof ik me losrukte van de twee mannen, die echter ver bij me vandaan stonden, en wilde doorlopen.
‘Nee,’ zei de man bij het raam, gooide zijn boek op een tafeltje en stond op. ‘U mag niet weggaan, u bent immers gearresteerd.’
‘Het heeft er veel van,’ zei ik. ‘En waarom dan?’ vroeg ik vervolgens.
‘Wij hebben geen opdracht u dat mee te delen. Gaat u maar in uw kamer zitten wachten. De procedure is nu eenmaal op gang gekomen, en u zult alles op het juiste tijdstip te horen krijgen. Ik ga buiten mijn boekje als ik u zo vriendelijk aanspoor. Maar ik hoop dat niemand het hoort behalve Franz, en die is zelf tegen alle regels in vriendelijk tegen u. Wanneer u ook verder zoveel geluk hebt als bij de keus van uw bewakers, kunt u vertrouwen in de zaak hebben.’
Ik wilde gaan zitten, maar zag nu dat er in de hele kamer geen zitgelegenheid was, behalve de fauteuil bij het raam.
‘U zult nog begrijpen hoe waar dat allemaal is,’ zei Franz en kwam tegelijk met de andere man op me af. Vooral de laatstgenoemde stak een heel eind boven me uit en klopte me herhaaldelijk op mijn schouder. Beiden keurden mijn nachthemd en zeiden dat ik nu een hemd van veel mindere kwaliteit zou moeten aantrekken, maar dat ze zowel dit hemd als de rest van mijn nachtgoed zouden bewaren en het me bij een gunstige afloop van zijn zaak zouden teruggeven.
‘Het is beter als u uw dingen aan ons geeft dan dat u ze in het depot brengt,’ zeiden ze, ‘want in het depot vinden nogal eens onregelmatigheden plaats en bovendien verkopen ze daar alles na een zeker verloop van tijd, zonder er rekening mee te houden of de desbetreffende procedure is afgelopen of niet. En dergelijke processen duren zo lang, vooral de laatste tijd! U zou dan tenslotte van het depot wel de opbrengst krijgen, maar die opbrengst is op zichzelf al weinig, want bij de verkoop geeft niet de grootte van het aanbod maar de grootte van het omkoopbedrag de doorslag, en voorts worden dergelijke opbrengsten, zoals de ervaring leert, minder, wanneer ze van hand tot hand en van jaar tot jaar worden doorgegeven.’
Ik lette niet erg op die betogen, het beschikkingsrecht over mijn eigendommen, dat ik misschien nog had, sloeg ik niet hoog aan, veel belangrijker vond ik het duidelijkheid te krijgen over mijn situatie; maar in aanwezigheid van deze lieden kon ik niet eens denken, steeds opnieuw botste de buik van de tweede bewaker – het konden toch alleen maar bewakers zijn – bepaald vriendschappelijk tegen me op, maar als ik opkeek, zag ik een bij dit dikke lijf helemaal niet passend droog, benig gezicht met een brede, zijwaarts gedraaide neus, dat over zijn hoofd heen met de tweede bewaker in contact stond. Wat voor mensen waren dat eigenlijk? Waar hadden ze het over? Tot welke instantie hoorden ze? Ik woonde immers in een rechtsstaat, overal heerste vrede, alle wetten werden gehandhaafd, wie waagde het me in mijn woning te overvallen? Ik was steeds geneigd alles zo luchtig mogelijk op te vatten, het ergste pas te geloven als het ergste zich voordeed, geen maatregelen te nemen voor de toekomst, zelfs als alles er dreigend uitzag. In dit geval leek me dat echter niet juist, je kon het geheel dan wel als een grap beschouwen, als een grove grap die om onbekende redenen, misschien omdat het die dag mijn dertigste verjaardag was, mijn collega’s van de bank met me uitgehaald hadden, dat was natuurlijk mogelijk, misschien hoefde ik alleen maar op een of andere manier de bewakers in hun gezicht uit te lachen, en ze zouden mee lachen, misschien waren het boodschappenlopers van de hoek, daar leken ze wel wat op [.....]
Ik wil graag de oorspronkelijke eerste bladzijde lezen
Ga terug naar het overzicht