hoe het werkt

(vrijdag 18 mei 2012)

Eerst het slechte nieuws: vóór de zomer zal het niet meer gaan lukken. Samen met de uitgever heb ik besloten om ‘Mooie jongens’ over de zomervakantie heen te tillen. Dit betekent dat mijn debuut pas in oktobber 2012 in de boekhandels zal liggen. Maar nu het goede nieuws: de roman komt niet alleen. Met veel genoegen kan ik hier melden dat ook mijn bundel ‘Van wie dit leest houd ik’ zal worden uitgegeven, tegelijkertijd met ‘Mooie jongens’.

Sommige teksten in ‘Van wie dit leest houd ik’ zullen voor de trouwe bloglezers onder jullie reeds bekend zijn (mijn essay ‘Anders kijken’ bijvoorbeeld zal erin komen staan) maar er zullen ook nieuwe gedichten en een aantal nog niet eerder verschenen verhalen in worden opgenomen. Al met al is ‘Van wie dit leest houd ik’ een mooie mix geworden tussen essayistiek, proza en poëzie. En we zijn ook al druk bezig met de kaft; die wordt echt mooi.

‘Is het autobiografisch?’

Eén van de dingen die me het meeste hoofdbrekens heeft gekost tijdens de laatste schrijffase van ‘Van wie dit leest houd ik’ was de keuze of een tekst het best in de ik-vorm of in de hij- of in de jij-vorm kon worden geschreven. Over dit probleem heb ik een paar weken terug al geschreven (LEES). Ik zie voor mezelf de meeste voordelen in de ik-vorm: de tekst wordt veel directer en je hebt minder woorden nodig.

Een nadeel is dat een tekst in de ik-vorm al snel autobiografisch lijkt en veel lezers denken toch al vaak dat essays en vooral gedichten in de eerste plaats zielsuitstortingen zijn van de schrijver. Soms creëert deze schijn-autobiografie ook regelrechte misverstanden, die erg pijnlijk kunnen zijn bovendien. Bij dit gedichtje bijvoorbeeld:

En de dood zo dichtbij

Vijftien verdiepingen
lage plafonds geen licht
wederzijds wantrouwen
daar woont mijn moeder

roerloos rechtop zit zij
godallemachtig dit
priemende ogenblik
zal mij verhoeden.

Dit gedichtje ontstond een jaar of wat geleden omdat ik wel eens een heus Ollekebolleke wilde schrijven. In Engeland is deze dichtvorm beter bekend als de Double Dactyl of ook wel als de Jiggery Pokery of de Higgledy Piggledy. Drs P. is in deze vrolijke rijmpjes gespecialiseerd en het zijn altijd gedichtjes die het ritme hebben van het kinderversje ‘Olleke Bolleke Repelsolleke Olleke Bolleke Knol.

experimentje

Ik wilde zoiets ook eens een keer schrijven, maar dan juist zonder die vaak lollig bedoelde inhoud. Dit contrast tussen een opgewekte vorm en een sombere inhoud was niet veel dan een experimentje dus. Met mijn echte moeder heeft dit gedicht niets te maken. Ze moeder woont niet eens in een verzorgingsflat, maar mijn vader sinds enige tijd wel, en nu voor hem de dood steeds dichterbij komt, wordt mijn ‘ollekebolleke-gedichtje’ toch wel een beetje wrang. Een van de redenen waarom ik heb besloten het niet op te nemen in mijn bundel.

Een ander gedicht dat ook niet door de selectie is gekomen, gaat als volgt:

Met heldere ogen, gladgeschoren
nauwelijks hersteld van mijn verdriet
voed ik mijn dochter

mijn zoon speelt op een kleedje, in de kamer
in de zon, zijn gezicht geeft geen krimp
het deelt niets mede

ik begeef mij
in vijandig gebied
niet tot liefde
te bewegen.

stom toeval

Zelf heb ik – gelukkig – nooit een postnatale depressie meegemaakt. Hoe kom ik dan op zo’n gedicht? De eerste inspiratiebron was iets wat een verpleegkundige me vertelde: vroeger, zei ze, toen mensen nog hele bossen schaamhaar hadden, werden vrouwen vlak voor de bevalling vanonder geschoren. En ineens kwam het weer naar boven: een jaar of twintig geleden paste ik via de babyfoon regelmatig op de kinderen van een buurvrouw. Een van die keren duurde het wel erg lang voordat zij thuiskwam.

Ik verwachtte eigenlijk nog een vriend op bezoek maar hij liet ook al lang op zich wachten. Net toen ik me een beetje zorgen begon te maken (mobiele telefoons waren er toen nog niet) kwam mijn vriend. Er was iemand voor de trein gesprongen, waarin hij zat. Erg akelig natuurlijk, maar we hadden het al zo vaak meegemaakt: het spoor lag vlak bij een psychiatrisch ziekenhuis en het was elke maand wel een keer raak.

Niet veel later kwam de buurvrouw eindelijk thuis. Helemaal overstuur. Zij was op bezoek geweest bij haar beste vriendin die aan een postnatale depressie leed en in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Ze had die vriendin nogal streng aangepakt, haar op haar verantwoordelijkheden gewezen: een baby van een paar weken, en ook nog drie andere jonge kinderen en een man die het het water inmiddels ook wel tot aan de lippen stond.

Nog geen halfuur nadat deze buurvrouw richting huis ging, heeft haar vriendin zelfmoord gepleegd. Inderdaad, voor die trein gesprongen.
Een gruwelijk verhaal dat eigenlijk niet goed na te vertellen is. Stom toeval is bijna altijd ongeloofwaardig.

therapeutisch

Het verhaal van die vriendin bleef wel lang hangen bij mij. Ik was zelf net zwanger en dolgelukkig en verheugde me enorm op mijn kind. Wat bezielt iemand om haar eigen kinderen achter te laten? Wat betekende dit voor die vader?

Dit was iets wat ik van me af probeerde te schudden door er over te schrijven. Maar is het daardoor autobiografisch? Nee, natuurlijk niet. En: ja natuurlijk, een beetje, want het is ook niet zelfstandig verzonnen. Het viel me te binnen. Zoals alles wat ergens over gaat. Zoals alles wat ik schrijf.

Ik vraag me af of dit bij andere schrijvers ook zo werkt. Maar nog veel benieuwder ben ik naar mensen die niet schrijven. Hoe verwerken zij hun verdriet? Hoe komen zij ‘klaar’ met gebeurtenissen die zij niet van zich af kunnen schudden?

Droomdebuut

over ‘Bonita Avenue’ van Peter Buwalda

(vrijdag 11 mei 2012)

Vijf dagen lang was ik omringd door palmbomen, zon, bloemenvelden, rode akkers, de geur van sinaasappels, weilanden vol blatende schapen, een golfbaan, een zwembad, een tennisbaan en ontelbaar veel vogels die met veel spektakel hun territorium bevochten.

Het binnenland van Mallorca is een klein paradijsje, maar wat neem je mee op zo’n trip – naast je bikini, je golfclubs, je tennisoutfit, je zonnebril en wat kleren?

Ik koos voor ‘Bonita Avenue’, het droomdebuut van Peter Buwalda. Ik had nog steeds geen tijd gezien om het te lezen maar 543 pagina’s, dat kan net in vijf dagen. Je kunt niet de godganse dag tennissen, praten, golfen, eten en zwemmen. En die paar uur in het vliegtuig moeten ook worden overbrugd.

overweldigend

Wie ‘Bonita Avenue’ openslaat wordt meteen verpletterd door een dertigtal quotes van gerenommeerde kranten, tijdschriften en recensenten: ‘indrukwekkend’ zegt de een, ‘dé verrassing van het literaire seizoen’ zegt de ander, ‘een onvervalste pageturner’ staat in het juryrapport van de Librisprijs 2011, ‘rijk’ en ‘flitsend’ geschreven in een ‘gespierde trefzekere stijl’, het ‘sterkste debuut in jaren’ (Jeroen Vullings), ‘verbijsterend’ (Arjen Fortuin), ‘een overweldigende roman’ (Tzum). En zo zou ik nog wel even door kunnen gaan. Overweldigend, inderdaad.

Wie bezig is met de eindredactie van zijn eigen bescheiden debuut doet er niet verstandig aan om in een droomdebuut als dat van Buwalda te duiken, fluisterde een gifgroen duiveltje in mijn oor. En natuurlijk heeft dat duiveltje gelijk, jezelf meten met dit soort giganten is vragen om problemen, maar wie wil er nu verstandig zijn? Alles wat het leven de moeite waard maakt, zit vol risico’s en gevaren.

Het ergste dat mij kon gebeuren was dat ik zo door het boek zou worden geïmponereerd dat ik zelf niet meer zou durven, dat ik zeven doden zou sterven van bescheidenheid, dat ik alsnog koudwatervrees krijg of volledig verlamd zou raken van angst voor dé grote mislukking.

‘Bonita Avenue’ is niet alleen door vrijwel iedereen lovend besproken, het wordt ook geweldig goed gelezen. Na krap anderhalf jaar is het boek al toe aan zijn eenentwinstigste druk en de vertaalrechten zijn ook al aan meerdere landen verkocht.

meesterwerk?

Dit is het scenario waar elke debutant van droomt, maar is ‘Bonita Avenue’ nu echt ‘een meesterwerk’ zoals Matthijs van Nieuwkerk beweert, een boek ‘wat iedereen moet lezen’? Nee, dat vind ik niet. Peter Buwalda is zonder meer een begenadigd schrijver. Ik heb tenminste nog nooit een debuut gelezen dat zoveel vakmanschap verraadt: beeldend taalgebruik, geraffineerde plotopbouw, mooie metaforen en knappe zinsconstructies. Verder loopt het boek ook echt als een trein, de eerste helft althans (toch nog altijd 270 pagina’s), maar ik merkte wel dat ik het heel gemakkelijk weg kon leggen en na 350 pagina’s was ik eigenlijk helemaal niet meer benieuwd hoe het verder zou gaan. Ik heb de laatste 100 pagina’s dan ook eerder gescand dan gelezen, zodat ik het boek al geruime tijd voordat het vliegtuig landde in mijn handbagage weg kon bergen en me kon concentreren op belangrijker zaken: een sudoku, een broodje, de Volkskrant.

onderhoudend

Het is goed te merken dat Buwalda al erg veel ervaring heeft in het schrijversvak (hij was jaren redacteur), en elke beginnende schrijver (ik ook, zeker) kan veel van hem leren, maar op een of andere manier beklijft het boek niet. Althans niet bij mij. Deels heeft dit te maken met de stijl, die naar mijn smaak iets te gezocht is (alles is wel erg gedetailleerd beschreven) maar het heeft ook te maken met het onderwerp. Het boek is in de eerste plaats een relatieroman. Daarbij worden er veel ‘lekkere’ thema’s aangeroerd zoals geld, ambitie, seks, porno, jaloezie, misdaad, het onderscheid tussen ‘nature’ en nurture’,  moord, ontrouw. Voor elk wat wils dus, maar voor mij iets te veel. Goede tijden, slechte tijden, maar dan op niveau. Zeer vakkundig beschreven, maar niets onoorbaars, verrassends of echt onalledaags. Verder is het boek zeer plotgericht. Inhoudelijks kan ik er weinig over vertellen zonder het leesplezier van anderen te vergallen, en dat zou zonde zijn, want het is eigenlijk een perfect vakantieboek, waar het voor je medereizigers wel prettig is dat je een boek zonder enig probleem weg kunt leggen.

aanrader?

Wie genoeg tijd heeft en niet te beroerd is om zich een beetje in te spannen krijgt zeker waar voor zijn geld. Ik heb me tijdens mijn korte vakantie uitstekend met ‘Bonita Avenue’ vermaakt. Het is zeker onderhoudend en soms ook echt spannend, maar ik raakte er dus niet aan verslingerd en een meesterwerk vind ik het al helemaal niet.Het boek heeft weliswaareen sterke psychologische lading, en het is zonder meer beeldend en met veel fantasie geschreven, maar een boek is voor mij pas een meesterwerk als de plot ervan kan worden verklapt zonder dat het leesplezier daarmee volledig vergald wordt. Een meesterwerk is wat mij betreft ook veel kaler dan ‘Bonita Avenue’, zowel qua inhoud als qua stijl. ‘Less is more’, binnen de architectuur is het een leugen, maar binnen de literatuur geldt het wel degelijk.

urgent

Yves Petry, Sándor Márai, Milan Kundera, Arnon Grunberg, Lisette Lewin, Michel Houellebecque, Gerrit Komrij, Julian Barnes, Tommy Wieringa, Gerard Reve, dat zijn schrijvers die allen een of meer van dit soort meesterwerken hebben geschreven; boeken die je kunt lezen en blijven herlezen. Dat zijn mijn grote voorbeelden. Deze romans zijn niet alleen diepzinniger, ambivalenter, humoristischer en intelligenter dan ‘Bonita Avenu’ maar vooral stukken urgenter. Ja, de urgentie, dat is wat vooral wat voor mij ontbreekt aan dit vakkundige debuut van Peter Buwalda. Daarmee blijft het nog steeds een reusachtige en grootse roman, een ware gigant zogezegd,  maar tegen sommige giganten kun je bewonderend opkijken zonder dat ze ooit een voorbeeld voor je zullen worden of het ultieme ideaal. Sommige giganten zijn niet zozeer richtinggevend maar positiebepalend; als aankomend debutant is het altijd goed om te beseffen waar jouw werk zich precies in het literatuurlandschap begeeft. Giganten die je doen beseffen: zij doen het het zo, ik doe het anders.

kafkaesk

(vrijdag 27 april 2012)

Wie veel tijd doorbrengt in wachtkamers van belastingkantoren of telecombedrijven, wie regelmatig aan het lijntje wordt gehouden, wie steeds opnieuw van het kastje naar de muur wordt gestuurd of zich stelselmatig gemangeld voelt in de raderen van anonieme instanties, die weet wat kafkaesk betekent ook al heeft hij nog nooit een letter van Kafka gelezen.

‘Iemand moest Josef K. belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads had gedaan,
werd hij op een morgen gearresteerd.’

Deze eerste zin van ‘Het proces’ is misschien wel de beroemdste uit de wereldliteratuur. Dat is niet zo vreemd want op het eerste gezicht lijkt deze opening perfect. Er wordt niet alleen de nachtmerrieachtige, onheilspellende sfeer van wat zal volgen, aangekondigd, ook behelst de zin een onomwonden weergave van het belangrijkste thema van de roman: het probleem van de schuld.

Voor iedereen die ‘Het proces’ (nog) niet heeft gelezen en ter opfrissing van het geheugen van alle anderen: ‘Het proces’ gaat over een man genaamd Josef K. die volkomen onverwacht in staat van beschuldiging wordt gesteld. Jozef K. krijgt eerst een vorm van huisarrest, wordt daarna weliswaar weer op vrije voeten gesteld, maar dient zich op gezette tijden te komen verantwoorden voor de rechtbank. Waar die rechtbank precies gevestigd is, wie de rechters zijn, hoe hij zich kan verdedigen, en – het allerbelangrijkste – wat hem precies ten laste wordt gelegd, blijft gedurende het hele boek volledig duister.

Er zijn voortdurend mensen die Jozef K. op zijn schuldig-zijn wijzen, zonder echter ooit concreet te worden en Josef K. beklaagt zich er steeds over dat hij helemaal niet schuldig is, maar het enige wat hem wordt tegengeworpen is dat alle schuldigen zo spreken, en dat het ontkennen van zijn schuld de zaak alleen maar erger maakt.

Volledig murw gemaakt laat Jozef K. zich aan het einde van het boek als een mak lam naar de executieplaats voeren.

Dit alles is geschreven tegen de achtergrond van een ambiance van grauwe overheidsgebouwen, bevolkt door bureauchefs en klerken die er een zeker behagen in scheppen hun cliënten met ondoorzichtige formaliteiten aan het lijntje te houden. Het belangrijkste thema  in ‘Het proces’ lijkt echter niet de rol van de bureaucratie te zijn, maar het probleem van de schuld.

ongeloofwaardig

“Ik ben geheel onschuldig” blijft Jozef K. gedurende het hele boek zeggen, maar juist door het rigoureus afwijzen van alle schuld maakt hem ongeloofwaardig, want welk mens kan nu zweren dat hij volkomen onschuldig is? Iedereen draagt wel ergens enige schuld en het feit dat Jozef K. geen seconde twijfelt en alleen maar blijft herhalen dat hij absoluut onschuldig is, doet vermoeden dat hij eerder nog zichzelf dan de ander probeert te overtuigen van zijn onschuld.

Binnen de literatuurwetenschap wordt bijna 100 jaar na uitgave nog steeds volop gediscussieerd hoe ‘Het proces’ het best kan worden geïnterpreteerd. Globaal gezien zijn er drie opties: of Jozef K. is schuldig maar wil dit niet bekennen, of hij is schuldig maar kan dit zelf niet inzien, of hij is inderdaad, zoals hij zelf zegt, volkomen onschuldig.

De laatste interpretatie maakt het boek misschien wel extra gruwelijk – want Jozef K. krijgt tenslotte de doodstraf – maar tegelijkertijd zou er ook een hele dimensie verloren gaan. Veel intrigerender wordt het boek als je het zo leest dat Jozef K. wel degelijk schuldig is.

een apologie?

Wat dat betreft is het jammer dat ‘Het proces’ vanuit de derde persoon en niet vanuit de eerste persoon is geschreven. Omdat alles in hij-vorm is geschreven kan niet met 100 % zekerheid worden vastgesteld of alles wordt gezien vanuit het perspectief van Jozef K. of dat er sprake is van een alwetende verteller.

Als dit laatste het geval is wordt in de eerste zin al duidelijk dat Jozef K. onschuldig is. Dat wordt namelijk zonder meer zo gezegd, jammer, maar als je het boek leest vanuit het perspectief van Jozef, is de lezer jjuist van meet af aan geneigd te denken dat Jozef K. wel degelijk schuldig is. En zoals ik al zei: dat maakt het boek – psychologisch in elk geval – veel interessanter. Dan kan het boek zelfs worden opgevat als één groot (sluimerend) gewetensconflict.

goed schrijven is ook goed lezen

Welke schrijver worstelt niet met de vraag: schrijf ik het in de eerste of in de derde persoon? Op het eerste gezicht een onmogelijke vraag want voor allebei is wel wat te zeggen. In de ik-vorm lijkt de tekst al snel autobiografisch. Dat vind ik persoonlijk een nadeel, maar het kan natuurlijk ook een voordeel zijn. Dat ligt er maar net aan welk effect je wilt bereiken. De ik-vorm is ook veel directer. Je hebt dan ook veel minder woorden nodig, althans dat valt mij altijd op. In de hij-  of zij- vorm wordt alles veel filmischer, wat ook een voordeel is, maar deze teksten worden vaak ook veel afstandelijker en omslachtiger.

Als ik het zelf niet meer weet kijk ik graag naar anderen. En ineens viel me op dat er iets heel opvallends aan de hand is in Kafka’s ‘Het proces’: je kunt er de naam Jozef K. vrijwel zonder problemen vervangen voor ‘ik’. De hij-vorm is bij Kafka dus helemaal niet afstandelijk of omslachtig.  Die afstandelijkheid zit dus niet in de vorm maar in de wijze waarop die gebruikt wordt. Kafka blijkt weer eens een goede leermeester te zijn. En ik heb nog iets ontdekt: in de ik-vorm krijgt ‘Het proces’ ineens de vorm van een apologie, en een ongeloofwaardige verdedigingsrede, bovendien – wat weer een heel nieuwe dimensie toevoegt aan de stroom van interpretaties.

Ach, literatuurwetenschap: je houdt ervan of je gruwelt ervan. Reacties worden weer op prijs gesteld.

Experimentje met de eerste bladzijde van HET PROCES van KAFKA:

Iemand moest me belasterd hebben, want zonder dat ik iets kwaads had gedaan, werd ik op een morgen gearresteerd. De keukenmeid van mevrouw Grubach, mijn kamerverhuurster, die me elke ochtend tegen achten het ontbijt bracht, kwam deze keer niet. Dat was nog nooit gebeurd. Ik wachtte nog een poosje, zag van mijn kussen uit de oude vrouw die tegenover me woonde en die me met een voor haar heel ongewone nieuwsgierigheid gadesloeg, maar dan, met een gevoel van bevreemding en honger tegelijk, belde ik. Onmiddellijk werd er geklopt en een man, die ik hier in huis nog nooit had gezien, kwam binnen. Hij was slank en toch stevig gebouwd, hij droeg een nauw aansluitend zwart pak, dat als een reiskostuum voorzien was van verscheidene plooien, zakken, gespen, knopen en een ceintuur en dientengevolge, zonder dat het je duidelijk werd waartoe het dienen moest, bijzonder praktisch leek.

‘Wie bent u?’ vroeg ik en zat meteen half rechtop in bed.

De man negeerde mijn vraag alsof je zijn verschijning moest accepteren, en zei op zijn beurt slechts: ‘U hebt gebeld?’

‘Anna moet me het ontbijt brengen,’ zei ik en probeerde, eerst in stilte, door oplettendheid en nadenken uit te maken wie de man eigenlijk was.

Die echter stelde zich niet al te lang bloot aan mijn blikken, maar keerde zich naar de deur, die hij een eindje opendeed om tegen iemand, die kennelijk vlak achter de deur stond, te zeggen: ‘Hij wil dat Anna hem zijn ontbijt brengt.’

Er volgde een kort gelach in de aangrenzende kamer, uit de klank viel niet op te maken of er meer dan één persoon aan meedeed. Hoewel de onbekende man daardoor niets te weten had kunnen komen wat hij niet al tevoren wist, zei bij nu toch tegen mij op de toon van een mededeling. ‘Het is onmogelijk.’

‘Dat is iets nieuws,’ zei ik, sprong mijn bed uit en trok vlug mijn broek aan. ‘Ik wil toch eens kijken wat er voor mensen in de kamer hiernaast zijn en hoe mevrouw Grubach deze storing tegenover mij wil verantwoorden.’ Wel schoot me meteen te binnen dat ik dit niet hardop had moeten zeggen en dat ik daardoor in zekere zin een recht op controle aan de vreemdeling toekende, maar dat leek me nu niet van belang.

In elk geval vatte de vreemdeling het zo op, want hij zei: ‘Zou u niet liever hier blijven?’

‘Ik wil noch hier blijven noch door u worden aangesproken, zo- lang u zich niet aan me voorstelt.’

‘Het was goed bedoeld,’ zei de vreemdeling en deed nu vrijwillig de deur open. In de aangrenzende kamer, waar ik langzamer binnenging dan ik wilde, zag het er op het eerste gezicht haast net zo uit als de vorige avond. Het was de huiskamer van mevrouw Grubach, misschien was er in deze met meubels, dekens, porselein en foto’s volgepropte kamer vandaag wat meer ruimte dan anders, dat viel niet meteen te onderscheiden, te minder omdat de belangrijkste verandering bestond in de aanwezigheid van een man, die bij het open raam zat met een boek, waaruit hij nu opkeek.

‘U had in de kamer moeten blijven! Heeft Franz dat u niet gezegd?’

‘ja, wat wilt u eigenlijk?’ vroeg ik en ik keek van mijn nieuwe kennis naar de als Franz aangeduide, die in de deuropening was blijven staan, en daarna weer terug. Door het open venster zag je de oude vrouw weer, die met echte oude mensen nieuwsgierigheid voor het daartegenover gelegen raam was blijven staan, om ook verder alles te kunnen zien.

‘Ik wou toch even mevrouw Grubach…’ zei ik en maakte een beweging alsof ik me losrukte van de twee mannen, die echter ver bij me vandaan stonden, en wilde doorlopen.

‘Nee,’ zei de man bij het raam, gooide zijn boek op een tafeltje en stond op. ‘U mag niet weggaan, u bent immers gearresteerd.’

‘Het heeft er veel van,’ zei ik. ‘En waarom dan?’ vroeg ik vervolgens.

‘Wij hebben geen opdracht u dat mee te delen. Gaat u maar in uw kamer zitten wachten. De procedure is nu eenmaal op gang gekomen, en u zult alles op het juiste tijdstip te horen krijgen. Ik ga buiten mijn boekje als ik u zo vriendelijk aanspoor. Maar ik hoop dat niemand het hoort behalve Franz, en die is zelf tegen alle regels in vriendelijk tegen u. Wanneer u ook verder zoveel geluk hebt als bij de keus van uw bewakers, kunt u vertrouwen in de zaak hebben.’

Ik wilde gaan zitten, maar zag nu dat er in de hele kamer geen zitgelegenheid was, behalve de fauteuil bij het raam.

‘U zult nog begrijpen hoe waar dat allemaal is,’ zei Franz en kwam tegelijk met de andere man op me af. Vooral de laatstgenoemde stak een heel eind boven me uit en klopte me herhaaldelijk op mijn schouder. Beiden keurden mijn nachthemd en zeiden dat ik nu een hemd van veel mindere kwaliteit zou moeten aantrekken, maar dat ze zowel dit hemd als de rest van mijn nachtgoed zouden bewaren en het me bij een gunstige afloop van zijn zaak zouden teruggeven.

‘Het is beter als u uw dingen aan ons geeft dan dat u ze in het depot brengt,’ zeiden ze, ‘want in het depot vinden nogal eens onregelmatigheden plaats en bovendien verkopen ze daar alles na een zeker verloop van tijd, zonder er rekening mee te houden of de desbetreffende procedure is afgelopen of niet. En dergelijke processen duren zo lang, vooral de laatste tijd! U zou dan tenslotte van het depot wel de opbrengst krijgen, maar die opbrengst is op zichzelf al weinig, want bij de verkoop geeft niet de grootte van het aanbod maar de grootte van het omkoopbedrag de doorslag, en voorts worden dergelijke opbrengsten, zoals de ervaring leert, minder, wanneer ze van hand tot hand en van jaar tot jaar worden doorgegeven.’

Ik lette niet erg op die betogen, het beschikkingsrecht over mijn eigendommen, dat ik misschien nog had, sloeg ik niet hoog aan, veel belangrijker vond ik het duidelijkheid te krijgen over mijn situatie; maar in aanwezigheid van deze lieden kon ik niet eens denken, steeds opnieuw botste de buik van de tweede bewaker – het konden toch alleen maar bewakers zijn – bepaald vriendschappelijk tegen me op, maar als ik opkeek, zag ik een bij dit dikke lijf helemaal niet passend droog, benig gezicht met een brede, zijwaarts gedraaide neus, dat over zijn hoofd heen met de tweede bewaker in contact stond. Wat voor mensen waren dat eigenlijk? Waar hadden ze het over? Tot welke instantie hoorden ze? Ik woonde immers in een rechtsstaat, overal heerste vrede, alle wetten werden gehandhaafd, wie waagde het me in mijn woning te overvallen? Ik was steeds geneigd alles zo luchtig mogelijk op te vatten, het ergste pas te geloven als het ergste zich voordeed, geen maatregelen te nemen voor de toekomst, zelfs als alles er dreigend uitzag. In dit geval leek me dat echter niet juist, je kon het geheel dan wel als een grap beschouwen, als een grove grap die om onbekende redenen, misschien omdat het die dag mijn dertigste verjaardag was, mijn collega’s van de bank met me uitgehaald hadden, dat was natuurlijk mogelijk, misschien hoefde ik alleen maar op een of andere manier de bewakers in hun gezicht uit te lachen, en ze zouden mee lachen, misschien waren het boodschappenlopers van de hoek, daar leken ze wel wat op [.....]

Ik wil graag de oorspronkelijke eerste bladzijde lezen

Ga terug naar het overzicht

bangameisje

(vrijdag 20 april)

Tot voor kort had ik nog nooit van bangameisjes gehoord, laat staan van bangalijstjes.
Het lijkt me in deze tijd waarin de sociale media zo’n hoge vlucht hebben genomen niet eenvoudig om een tienermeisje te zijn. Laat staan een bangameisje.

razendsnel in het donker genomen
rillend staat ze op en registreert de leegte in haar lijf

stomdronken brakend tussen de bevroren bloemen
& voorbij het gegiechel dat ze nog maagd was

ach, al die uren voor de spiegel
al die jongens die ze afwees

nu is zij alleen nog wat zij van haar denken,
niets meer of minder dan dat: een slet

is dit het dan? vraagt zij zich af
waar alle liedjes over gaan

de boeken, de films, de gedichten

Ik lees liever andere gedichten
Ga terug naar het overzicht

Red ons van de dichters

(vrijdag 13 april 2012)

Ik heb een zwak voor Menno Wigman, dichter, bloemlezer, drummer, vertaler, en sinds enkele maanden stadsdichter van Amsterdam. Ik houd vooral van Wigman omdat hij zo prozaïsch kan vertellen over zijn dichtkunst en ook omdat sommige dichtregels van hem na jaren nog steeds bij mij zijn blijven hangen. In sporadische gevallen beklijft zelfs een hele strofe. Deze bijvoorbeeld:

Breek alle pennen stuk. Tuig elke letter af.
Er is geen taal die troost,
geen woord dat bloost bij Kaspar en zijn hondendood.

Wat ik er zo mooi aan vind is dat het een mooie paradox behelst, want het gaat niet alleen over de ontoereikendheid van de taal, dat die uiteindelijk met lege handen staat als er iets verschrikkelijks gebeurt is slechts één kant van de medaille, want tegelijkertijd demonstreert Menno Wigman met deze strofe juist de kracht en de impact van zorgvuldig gekozen woorden.

Wie de dode Kaspar is, herinner ik me overigens niet meer. Ik weet alleen nog dat het geen hond is – hoewel de naam anders doet vermoeden.

slecht geheugen

Onlangs stuitte ik per toeval opnieuw op ditzelfde gedicht. De door mij gekoesterde zinnen bleken de slotregels te zijn van het gedicht met de titel ‘Kaspar Hauser’. Kaspar heeft dus gewoon een achternaam. Vreemd dat ik dat was vergeten. Hier volgt het gedicht. Het komt uit Menno Wigmans schitterende bindel ‘Dit is mijn dag’:

Kaspar Hauser

Hier geen Natureingang.
Geen beek van zilver, gouden zonlicht, zeikgedicht.
Hij gaf niet om de zon.

Maar hoorde hij een klank, zag hij een vlam, dan greep
hij witheet met zijn hand.
Soms stond hij heilig met een schilderij te praten

of plantte hij bezorgd
een snijbloem in de aarde. Een kind van zeventien
met kelders in zijn ogen.

Afkomst verduisterd. Mensen die hem willen doden.
Zijn onbemande mond
die hulpeloos herhaalt wat hem was ingesproken:

‘Ik wil een ruiter worden.’
Meer wist hij niet. En wij, wij leerden Kaspar kijken,
wilden zijn hoofd met Duits

verrijken, steenhard Duits dat al zijn schrik verdreef.
Maar het verklaarde niets.
En bastaardprins of niet, gelukkig werd hij nooit.

En nu is Kaspar dood.
En wij, wij leefden hem, beschreven hem in gloedvol
Duits dat niets doorzag.

- Breek alle pennen stuk. Tuig elke letter af.
Er is geen taal die troost,
geen woord dat bloost bij Kaspar en zijn hondendood.


waar gaat dit over?

Geen wonder dat ik alleen de laatste drie regels heb onthouden. Dat zijn de enige regels die ik zonder problemen begrijp. De rest is voor de welwillende lezer natuurlijk ook wel te duiden, maar dat vergt wel de nodige creativiteit. Iets met een jonge jongen die zijn kindzijn is ontnomen. Het universele verhaal van een volkomen onschuldig iemand die nooit thuis is geweest in deze wereld, een hulpeloze jongeman – waarschijnlijk met een verstandelijke beperking – die de wereld niet aankan.

Je hoeft een gedicht natuurlijk niet helemaal te begrijpen om het te kunnen waarderen. Wat mij vooral bevalt is het strakke ritme in dit gedicht zonder dat er ergens een vervelende dreun klinkt. Door dit ritme maakt Menno Wigman de taal niet alleen dwingend en compact, het zorgt er ook voor dat de vele assonanties, halfrijmen, en alliteraties in dit gedicht niet al te nadrukkelijk aanwezig zijn. Verder zorgt de afwisseling van korte en lange regels niet alleen voor een fraaie typografie maar er ontstaan zo ook kleine pauzes die voor nadruk zorgen, waardoor niet alleen variatie ontstaat en vooral ook veel  lucht.

Maar hoezo wilde Kaspar Hauser ruiter worden? En wie vulde zijn hoofd met Duitse woorden – en waarom Duits? – en welke mensen wilden hem doden?

good old google

Ik weet niet of ik de gedroomde lezer ben, vast niet, maar als ik iets niet begrijp zoek ik het op. En wat blijkt? Kaspar Hauser heeft echt bestaan. Hij was ongeveer zeventien jaar toen hij – in het begin van de 19e eeuw – werd gevonden op een plein in Neurenberg. Niemand wist wie hij was en kwam ook niet achter want hij kon behalve zijn eigen naam niets anders zeggen dan ‘Ik wil een ruiter worden zoals mijn vader was’ – en dat dan alleen zeer gebrekkig.

Al snel ging het gerucht dat Kaspar Hauser een kind zou zijn van de groothertog van Baden, en dat hij direct na zijn geboorte ‘verdwenen’ was zodat een andere tak van de familie aan de macht kon komen. Waar of niet, het was zonneklaar dat de jongen volkomen geïsoleerd en volledig taalloos opgegroeid was. Toen hij met veel moeite een klein beetje Duits leerde spreken, werd geleidelijk duidelijk dat Kaspar jarenlang opgesloten had gezeten in een donkere kelder die zo laag was dat hij er niet eens rechtop kon staan.

Er zijn twee moordaanslagen op Kaspar gepleegd. De eerste vond plaats binnen een jaar nadat hij was gevonden, en de tweede vier jaar later:  in 1832 werd Kaspar Hauser doodgestoken in een park. De dader is nooit gevonden.

Als je met deze kennis bovenstaand gedicht opnieuw leest, vallen veel onduidelijkheden op zijn plaats: de kelders in de ogen, de bastaardprins die maar één ding zegt, de merkwaardige zin: ‘ik wil ruiter worden’. Het kind van zeventien is gewoon een kind van zeventien en de mensen die hem wilden doden zijn domweg mensen die Kaspar Hauser ook daadwerkelijk wilden doden.

wat is beschaving?

Alles is door deze kennis niet alleen veel begrijpelijker geworden, maar het gedicht wordt nu ook stukken interessanter. Althans, dat vind ik: Kaspar kon de wereld niet aan door alles wat hem is aangedaan, dat is duidelijk, ondanks alle hulp die hem werd geboden, maar misschien was het voor hem ook moeilijk om zijn draai te vinden juist door alle hulp die hem is geboden: de taal die hem geleerd werd, maar ‘niets verklaarde’ en ‘ook niets doorzag’.  Het gedicht lijkt derhalve niet alleen te gaan over de ontoereikendheid van de taal maar ook over de ontoereikendheid van dat wat wij ‘beschaving’ noemen.

Menno Wigman vergelijkt zijn werk wel eens met dat van een stratenmaker. ‘Ik kies altijd een heel strakke vorm,’ zegt hij in een oud interview met Onze Taal, ‘en dan komt het soms gewoon neer op invullen.’ Stratenmaker of niet, zonder overdrijven durf ik te zeggen dat Menno Wigman geldt als een van de belangrijkste dichters van dit moment. Als één van de weinigen is hij er, met nog geen handvol bundels, in geslaagd een ‘moderne klassieker’ te worden. Zijn nieuwste bundel ‘Mijn naam is Legioen’ is door vriend en vijand vol lof ontvangen. Ilja Leonard Pfeijffer noemt Wigman ‘een vakman, zoals er weinig rondlopen vandaag de dag’ en Ingmar Heytze vindt hem zelfs ‘de beste dichter van onze generatie’.

red ons van de dichters

Voor Mennno Wigman zelf blijkt dichten vooral hard werken te zijn, ‘een kwestie van zoeken, schrappen en schaven opdat alles uiteindelijk zo vanzelfsprekend mogelijk lijkt’. Als alles zo traag en moeizaaam tot stand kom is het geen wonder dat de poëzie hem zo langzamerhand de keel uit begint te hangen. Dat is althans de stelling waarmee Wigman zijn openhartige essaybundel ‘Red ons van de dichters’ begint.

Ik heb dit boek op deze blog al eens eerder besproken. Hoewel ik het een intrigerend boek vond was ik niet heel erg enthousiast. ‘Niks akeligers dan dichters die schrijven over het dichten,’ zo begon ik mijn leesverslag. En ik schreef ook dat Menno Wigman hierop geen uitzondering vormde. Inmiddels zijn we meer dan een jaar verder en ook al irriteerde Wigmans boek me mateloos, ik moet bekennen dat ik stukken eruit sinds die tijd minstens twee of drie keer heb herlezen. Ik kan er gewoonweg niet van afblijven. Daarom is het hoog tijd dat ‘Red ons van de dichters’ nu in ere wordt hersteld.

het probleem met poëzie

Dat Menno Wigman goed kan schrijven staat buiten kijf, en hij heeft ook veel en goed gelezen. Zijn lyrische essays over Baudelaire, Mallarmé, Gottfried Benn en Lasker-Schüler zijn boeiend en helder als glas, dat vond ik vorig jaar al, het probleem van dit boek is alleen dat het bijna ten onder gaat aan zijn eigen ambivalentie. Onophoudelijk vraagt Menno Wigman zich af waarom hij zoveel afgrijzen voelt bij het lezen en schrijven van poëzie.

‘Het probleem met poëzie is dat elk gedicht omkaderd blijft door het wit van de bladspiegel,’ zo begint hij, ‘het wit dat elke woede bij voorbaat tandeloos maakt, het wit dat zo veel diepzinnigheid veronderstelt dat het je maar al te vaak onverschillig laat.’

’Niet zonder humor vervolgt Wigman: ‘De laatste jaren wordt er, vooral door sommige critici en juryleden, eindeloos gesproken over ‘gevaarlijke poëzie’. Poëzie moet rauw zijn, ballen hebben, stinken, bijten, klotsen, balken en tot de sterren janken. Wat ze vooral willen, de critici, is 24 uur per etmaal ontregeld worden. Nu fiets ik ’s nachts wel eens langs het huis van zo’n criticus, en ik kan u verzekeren: nog nooit zag ik na middernacht licht bij hem branden, nooit heb ik hem met roodgele ogen en paar levensbedreigende dichtregels voor zich uit zien balken, nooit zag ik hem ziek van ontregeling een dichtbundel van zich afwerpen.’

hoeveel ambivalentie verdraagt een mens?

Tot zover is alles meer dan oké maar dan spreekt Menno Wigman de vurige wens uit zelf wel degelijk gevaarlijke poëzie te willen schrijven, ‘gedichten die zich als een stiletto in het hart van de lezer omdraaien.’ Maar, twijfelt Wigman vervolgens opnieuw, ‘gedichten kunnen met geen mogelijkheid de pagina uitbreken, een ruit inslaan of iemands leven overhoop gooien’. Vreemd genoeg wordt dit statement gevolgd door een aantal korte essays over gedichten en dichters die hem persoonlijk echter wel degelijk hebben ontregeld. Wat een vertwijfeling. Wat een moeizaam geworstel. Om moedeloos van te worden. In ‘Zwart als kaviaar’ schreef Menno Wigman  trouwens ook al een gedicht waarin deze vertwijfeling wordt gethematiseerd:

Misverstand (Menno Wigman in ‘Zwart als kaviaar’)

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en ‘s nachts – een heelkunst is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Natuurlijk herken ik me in deze voortdurende ambivalentie ten aanzien van het schrijverschap. Daarom vond ik het ook zo irritant. En intrigerend.

Voor wie meer van Menno Wigman wil lezen, dit zijn al zijn werken tot nu toe:

‘s Zomers stinken alle steden (1997)
Zwart als kaviaar (2001)
Dit is mijn dag (2004)
Het gesticht (2007)
De droefenis van copyrettes (2009)
Red ons van de dichters (2010)
Mijn naam is Legioen (2012)

____________________________________________________________________________________________________________________________

Ga terug naar het overzicht

MOOIE JONGENS (een nieuw begin)

(vrijdag 6 april 2012)

De kogel is door de kerk. Het contract is getekend. Ik ga met Gopher in zee en met een beetje goede wil ligt ‘Mooie jongens’ vóór deze zomer nog in de boekwinkels. In overleg met de uitgeverij heb ik de erotische beginscène naar achteren verplaatst. Het nieuwe begin is minder heftig en het geeft ook iets meer lucht. Hopelijk smaakt het naar meer.

Sinds ik heb opgebiecht, heeft mijn moeder minstens twintig keer gezegd dat het beter zou zijn als ik er nooit was geweest en dat ze dit al besefte op de dag dat ik was geboren. Ze heeft een tia gehad. Pa zegt dat het door mij komt, door wat ik heb verteld, maar onze huisarts Van den Bergh vindt dat onzin. Het enige wat je moeder nodig heeft, is rust, meent hij, verder moeten we haar vooral laten praten.

En praten, dat doet ze. Onderuitgezakt in de enige gemakkelijke fauteuil bij ons thuis, praat ze de hele dag. Ze is niet te stuiten. ‘Nog moet ik ervan huilen,’ zegt ze, ‘als ik terugdenk aan jouw geboorte.’ Ik was haar tweede en toch was ze totaal niet voorbereid geweest.

‘Een bevalling is het mooiste wat er is,’ zegt mijn vader, ‘het ultieme samenvallen met jezelf, één met de wereld, één groot orgasme.’  Hoewel ze daar helemaal niet om heeft gevraagd legt hij een wollen geruite plaid over mijn moeders benen. ‘Een bevalling is het mooiste wat er is,’ herhaalt hij. Daarna keert hij ons de rug toe en gaat aan zijn bureautje zitten voor het raam.
‘Maar dan moet je wel de juiste ademhalingstechnieken beheersen,’ snauwt moeder.

Ik pak twee extra kussens van de bank. ‘En dat deed jij blijkbaar niet?’
Dankbaar voor de aanmoediging steekt mijn moeder van wal. ‘De navelstreng zat om je hals. Je had wel kunnen stikken.’ Ze kijkt me beschuldigend aan, ‘sterker nog, je was ongetwijfeld gestikt als het niet binnen vijf minuten was gepiept.’ Zo had de verloskundige haar gewaarschuwd. Het was een invaller, haar eigen vroedvrouw was op vakantie.
‘Stijlloos,’ zeg ik en , ‘ze wist toch wanneer je was uitgerekend.’
Gedwee tilt mijn moeder haar hoofd op, om zich, zodra ik het eerste kussen achter haar heb geschoven, met een doffe plof achterover te laten vallen.

‘Je was te vroeg,’ zegt vader vanachter zijn bureau en het klinkt als een verwijt. Toch heeft hij de bevalling zelf niet eens meegemaakt. Hij was naar een congres over de betekenis van het begrip ‘Geschmack’ binnen de filosofie van Immanuel Kant en mijn moeder had hem niet kunnen bereiken.

‘De verloskundige was een lange man met grote handen en een nare piepstem,’ vertelt ze. Niet persen! Niet nu! had hij geroepen. Je wilt je kind toch niet dood? Ontspannen. Buikademhaling. Ogen dicht. ‘Alles wat de invaller zei, heb ik gedaan,’ vertelt moeder. Alles in haar wilde naar buiten, maar de verloskundige drong zonder pardon bij haar naar binnen, eerst met zijn hand en daarna met zijn halve onderarm. ‘Je lag verkeerd, met je hoofdje naar boven en je billen in mijn kruis.’ Moeder staart me wazig aan. Ineens pakt ze mijn hand. ‘Daarom moest je worden gedraaid. Het was voor je eigen bestwil.’
Ik trek mijn hand haastig terug en leg het andere kussen terug op de fauteuil.

‘Alsof in mijn baarmoeder een vrachtwagen aan het keren was.’ Met een ruk gooit moeder de wollen plaid van zich af. ‘Een vrachtwagen met aanhanger, met daaromheen een navelstreng.’
Pa zucht. Hij kent het verhaal.

Moeder had maar één ding gewild, dat het voorbij was, dat ze er nooit aan was begonnen. ‘In donker Afrika doen ze het gewoon tussendoor.’ De stem van vader klinkt streng. ‘Daar poepen ze die kinderen eenvoudigweg uit, omdat ze nog één zijn met de natuur.’ Hij had een verkeerd telefoonnummer doorgegeven en dat is de reden waarom mijn moeder hem niet had kunnen bereiken. Ze is er nog steeds boos over. Een stuitligging is niet niks. Vroeger gingen de vrouwen er vaak aan dood en ook zij had zwart voor ogen gezien.

Vader heeft zich inmiddels volledig naar ons omgedraaid en zet de radio aan.
‘Niet wegzakken. Blijf bij me!’ had moeder de invaller horen roepen, waarna hij haar met zijn vlakke hand in het gezicht had geslagen. Dat hielp. Eigenlijk had ze naar het ziekenhuis gemoeten voor een keizersnee of een tangverlossing, maar ik was al onderweg. Te vroeg, zoals gezegd.

‘Blijven ademen. In en dan uit. Je hebt nog één keer de kans om het goed te doen. Niet straks. Niet over vijf minuten, maar nu. Persen.’ De verloskundige had erg overtuigend geklonken, ook al had hij een piepstem.

‘Hij had het goed gedaan,’ zegt mijn moeder, ‘achteraf gezien dan. Er is niemand doodgegaan.’ Terwijl ze maar doorratelt, probeert pa zich te concentreren op een radioprogramma waarin mannen over boeken praten. ‘Diep ademen,’ bleef de invaller herhalen, ‘eerst in en dan uit.’ ‘Maar wat is in? En wat is uit?’ vraagt mijn moeder pathetisch. ‘Wat is boven en wat is beneden?’ Beschuldigend kijkt ze me aan.

‘Wat?’

‘Jij wist het ook niet, wat boven en beneden was, daarom lag je verkeerd, het zit in de familie.’ Ineens zuigt ze haar longen vol zuurstof en begint ongecontroleerd te lachen.
‘Sst, ik probeer dit te volgen,’ sist mijn vader en zet de radio harder. ‘Ik ben een geluksvogel,’ zegt hij tegen mij, ‘je moeder is twintig jaar jonger dan ik en toch heeft zij een hersenbloeding gehad en ik niet.’
Mijn moeder kijkt me hulpeloos aan. Alles had ze laten lopen, zegt ze. ‘Vocht. Urine. Bloed. Poep. En de baby.’

Die baby, dat was ik.

Met een zakdoek die eigenlijk gewassen moet worden, wist mijn moeder het zweet van haar voorhoofd. ‘Van het ene op het andere moment vergaf ik hem alles,’ zegt ze. ‘Dat hij er niet bij was. Dat hij de telefoon niet had opgenomen. Dat hij vreemd was gegaan – ’
Verbaasd kijk ik naar de man die mij een kwart eeuw geleden heeft verwekt. Vroeger moet hij een knappe kerel zijn geweest, en hij is nog steeds niet lelijk. Als hij niet zo’n zelfgenoegzame trek om zijn mond had, zou hij zelfs voor knap kunnen worden versleten. Op oude foto’s is hij net een filmster.

‘Je huilde niet zoals de baby’s op tv.’ Somber staart mijn moeder naar het plafond, terwijl ze met haar vingertoppen haar wenkbrauwen masseert. ‘Maar je krijste.’ Uit haar linkeroog valt één snelle traan, één, als het een film was, zou ik het niet geloven. Nep zou ik zeggen. Bovendien biggelt de traan niet eens zoals een traan hoort te biggelen, maar hij valt linea recta via de kortste weg naar beneden, alsof hij zich schaamt en zo snel mogelijk wil verdwijnen.
‘Waarom huil je?’ Ik reik haar mijn schone zakdoek aan.
‘Ik huil nu eenmaal snel, daar schaam ik me niet voor.’
‘Waarom niet?’

Perplex kijkt mijn moeder me aan. ‘Er was niets wat ik kon doen.’ Haar stem klinkt monotoon. ‘Je was overgeleverd aan de wereld.’ Zonder mijn zakdoek te gebruiken, stopt ze die in haar borstzak. ‘Simon was net drie en ik kon hem toen al niet aan en nu had ik er nog een baby bij. Ik was bang dat ik het niet zou redden.’ Mijn moeder haalt hoorbaar haar neus op. ‘Ik heb een kind op de wereld gezet,’ had ze tegen de verloskundige gezegd, ‘wat heb ik gedaan?’
Dat was nog voordat ze wist of ik een jongen of een meisje was .

Buiten regent het. Hoewel het officieel nog zomer is, zijn de meeste bomen al kaal. Het is ook al schemerig, bijna donker. Ook de natuur is van slag. Van de kapstok in de hal pak ik mijn roodleren pilotenjack en steek vijf tientjes in mijn binnenzak. ‘Ik ga. Stappen.’

Pa kijkt op de klok boven het dressoir en knikt dan. Moeder komt overeind alsof ze me wil vastpakken, maar ze knippert twee keer met haar ogen en zakt dan terug in haar fauteuil. Nadat ik haar vluchtig op haar wang heb gekust, houdt vader me tegen. ‘Wat er ook gebeurt,’ zegt hij terwijl hij me met beide handen in mijn bovenarmen knijpt, ‘voor Van den Bergh ben jij niet meer dan een proefkonijn, maar je bent en blijft mijn meisje.’

Ik ruk me los en loop naar de deur. ‘Het wordt vast laat, wacht maar niet op mij.’

Mijn vader zet de radio uit en gaat ervoor zitten. Blijkbaar is hij niet van plan me zomaar te laten gaan. ‘Je kunt je nog bedenken,’ zegt hij met een stem die ik niet van hem ken, ‘dan maak je er een soort retraite van en als je weer bij zinnen bent, kom je naar huis.’

‘Ik ben goed bij zinnen.’ Ik rits mijn jas tot bovenaan dicht. ‘Ik ben één van de weinige personen in Nederland, die het bewijs heeft, zwart op wit, volledig goed bij zinnen te zijn.’ Met opgeheven hoofd loop ik naar buiten. Wel zeventien testen heb ik ondergaan. Zeventien. Dan weten ze het toch wel zeker. Ik pak mijn fiets uit het schuurtje en vertrek richting de stad.
Daar is altijd wel iemand. Daar is altijd wel een meisje.

——————————————————————————————————————————————————————————————————————————-

Ik lees liever het vorige ‘heftige’ begin van ‘Mooie jongens’
Ga terug naar het overzicht

Eindelijk weer licht aan het einde van de tunnel

(vrijdag 30 maart 2012)

Mijn lijdensweg langs de verschillende uitgeverijen is ten einde. Ik kap ermee. Ik heb er genoeg van om zo onbeschoft behandeld te worden, maandenlang aan het lijntje te worden gehouden, geen antwoord te krijgen op mails of telefoontjes, nog langer te wachten op beloftes en toezeggingen die steeds opnieuw maar niet nagekomen worden.

voorrang?

Natuurlijk, er zullen zonder meer uitgeverijen zijn die wel deugen, maar na mijn ervaring en de verhalen die ik van anderen heb gehoord, heb ik er weinig fiducie meer in. Ik heb er in elk geval geen zin meer in. De gerenommeerde uitgever die zelf contact met mij opgenomen heeft en met wie ik begin juli vorig jaar serieus in bespreking ben geweest stuurde ik volgens afspraak half augustus vorig jaar mijn gewijzigde manuscript. Ze zouden het met voorrang behandelen en vroegen me uitdrukkelijk vooralsnog niet met een andere uitgever in zee te gaan. Zij hadden immers al ontzettend veel tijd in mij gestopt: het manuscript twee keer gelezen, mailwisseling en een gesprek.

Anderhalve maand geleden ontving ik – na een boze mail van mij – eindelijk bericht: ze voelden zich rot en schuldig, maar door diverse reorganisaties binnen het bedrijf waren ze er er nog steeds niet aan toegekomen om mijn manuscript in de nieuwste versie te lezen. En of ik nog even geduld wilde hebben; diezelfde week nog zouden ze uitsluitsel geven over wat er verder zou gebeuren: sindsdien niks meer gehoord.

agressief

Nu kan ik wel weer van voren af aan beginnen, maar ook andere contacten met uitgevers zijn weinig veelbelovend: minstens een half jaar wachttijd, geen antwoord op je mail, zelfs geen ontvangstbevestiging van het toegestuurde manuscript. Grrr… ik word hier erg agressief van en dat is voor niemand goed.

Half februari besloot ik contact op te nemen met Gopher, de oudste en meeste gerenommeerde POD-uitgeverij die Nederland herbergt. Een POD-uitgeverij werkt – zoals de naam al zegt – via publishing on demand. Een boek wordt pas gedrukt als er vraag naar is. Door de nieuwe druktechnieken zien de boeken er net zo mooi uit als een gewone offsetproductie.

voors en tegens

De royalty’s zijn iets gunstiger dan bij een reguliere uitgeverij, namelijk 15 procent van de gerealiseerde verkoopprijs, dat is gemiddeld 2 1/2 euro per verkocht boek, maar je moet wel een eigen investering betalen van 1500 euro terwijl je bij de meeste uitgeverijen juist een voorschot krijgt zodra het contract is getekend.

Geld is niet de enige drempel die een POD-uitgeverij opwerpt. Belangrijker nog is dat ze nog steeds niet door iedereen serieus worden genomen. Alle POD-uitgeverijen worden bijvoorbeeld bij voorbaat uitgesloten op sites als literairedebuten.nl waar verder in principe alle debuten in de schijnwerpers worden gezet.

een persoonlijk gesprek

Het eerste contact met Gopher verliep echter meteen erg soepel. Ik kon mijn manuscript per mail naar ze sturen en na krap twee weken al ontving ik een positief bericht. Ze wilden graag met mij in zee en nodigden me uit voor een persoonlijk gesprek.

Ik was nog steeds een beetje argwanend. Deugt dat bedrijf wel? Hadden ze mijn manuscript wel echt goed gelezen? Of ging het ze er alleen om die 1500 euro binnen te slepen?

Ik besloot me nader te verdiepen in de geschiedenis van Gopher. De uitgeverij is in 1997 opgericht, ze waren de pionier op het gebied van publishing on demand in Nederland. Het was de tijd van de eerste internetbubbel. De wereld zou veroverd worden, miljoenen werden geïnvesteerd. Aan dat vrolijke luchtfietsen kwam in 2003 een eind. Het geld was op. Met nieuwe investeerders is in dat jaar een doorstart en een ingrijpende reorganisatie gerealiseerd. Sinds zeven jaar is het bedrijf weer gezond. Dit jaar is er reden voor een feestje. In september bestaan ze 15 jaar.

Twee weken geleden ging ik op gesprek, vol goede moed, maar ook gewapend met een gezond dosis wantrouwen en met een paar kritische vragen op zak. Het gesprek verliep echter heel anders dan ik verwachtte: het ging gewoon over de inhoud. Meer dan een uur heb ik met Imke Bazen van Gopher over mijn manuscript gesproken: is de beginscène wel goed gekozen? Is het slot niet iets te vaag? Zijn de namen van de bijfiguren wel goed gekozen? Aan allerlei details kon ik merken dat men het manuscript zorgvuldig had gelezen.

Opgetogen ging ik naar huis. Met hen wilde ik wel in zee. En zij met mij, en een paar dagen later stuurden ze me een heus uitgeefcontract. Alleen was ik in alle consternatie helemaal vergeten mijn kritische vragen te stellen. Deze week deed ik dat alsnog. Ik ben benieuwd wat jullie, trouwe webloglezers, ervan vinden. Wat denken jullie? Is Gopher een goede uitgever voor mij of niet? Reacties worden op prijs gesteld.

MARIA FOERIER: Wat onderscheidt jullie van andere POD-uitgevers?

IMKE BAZEN: Het is bij ons geen druk op de knop, we zijn geen veredelde drukkers die een omslag om een ongelezen en/of niet geredigeerd manuscript leggen. We nodigen auteurs uit op ons kantoor in Amsterdam, bespreken hun manuscript inhoudelijk en proberen zo het beste uit een manuscript te halen. Zijn we tevreden over de inhoud, dan laten we het boek vormgeven door een professionele studio. Zijn we vervolgens ook tevreden over de vorm, dan proberen we samen met de auteur zoveel mogelijk free publicity voor een boek te genereren.

MARIA FOERIER: Wat doen jullie om jullie schrijvers te promoten?

IMKE BAZEN: Wij sturen persberichten over het verschijnen van het boek naar geselecteerde media. Dit kan leiden tot interviews en/of boekrecensies. Het boek wordt natuurlijk ook op onze website gezet. Verder zijn we actief op Facebook en Twitter, verspreiden een paar keer per jaar nieuwsbrieven, spelen waar mogelijk in op de actualiteit of bepaalde themadagen/-weken/-events, en organiseren waar mogelijk boekpresentaties en lezingen.

We proberen hierbij natuurlijk zoveel mogelijk aan te sluiten bij het boek zelf. Zo vindt er de ene keer een boekpresentatie plaats in een gezellige kinderboekhandel, dan staan we in een klassieke stijlkamer van een bibliotheek, en een volgende keer vindt een presentatie plaats in een synagoge of in een zaal van een Afrikaans museum.

Daarnaast sturen we onze boeken ter recensie naar NBD Biblion, de koepelorganisatie van de bibliotheken in Nederland, met een brief (vergezeld van eventuele artikelen uit de pers) waarin wij hen verzoeken om deze te recenseren opdat de bibliotheken een inkoopbeslissing kunnen nemen. Ook sturen we onze boeken naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag voor opname in het landelijk archief.

De laatste tijd zijn we ook actief met e-books, om te beginnen voor de iPad

Bij alle activiteiten geldt: alles geschiedt in nauw overleg met de auteur en in een actieve samenwerking met de auteur. Daarbij denken we graag met de auteur mee: met zijn website, met zijn blog of met zijn Facebook-pagina. Promotie vraagt om een gezamenlijke inspanning van uitgever én auteur, alleen dan vergroot je je kansen op succes.

MARIA FOERIER: Wat vinden jullie ervan dat jullie niet mee mogen doen op sites als http://www.literairedebuten.nl

IMKE BAZEN: Tja. Een financiering zegt natuurlijk niets over kwaliteit, zeker in deze tijd waarin uitgevers terughoudend zijn bij het aangaan van risico’s met nieuwe, nog onbekende schrijvers.

MARIA FOERIER: Wat is jullie werkwijze?

IMKE BAZEN: Een auteur levert zijn manuscript bij ons aan en ons uitgeefteam overlegt wie zijn manuscript gaat lezen. Meestal ontvangt de auteur na ongeveer twee maanden een gemotiveerde beoordeling van zijn manuscript. Er zijn dan vier mogelijkheden:

1) Wij brengen het uit onder ons Gopher-logo en er hoeft weinig of niets aan gecorrigeerd te worden;

2) Wij raden de schrijver aan er nog eens naar te kijken, omdat het bijvoorbeeld niet stijlvast is, er te veel loshangende verhaallijnen zijn, de dialoog niet levendig genoeg is, kortom, omdat datgene wat erin zit, er nog niet helemaal uit is gekomen. Na aanpassing beoordelen wij het manuscript opnieuw voor uitgave onder ons Gopher-logo;

3) Het boek voldoet aan de criteria voor uitgave onder ons merk mijneigenboek.nl. In dat geval kunnen wij de uitgave van het boek in eigen beheer verzorgen;

4) Wij kunnen niet met een manuscript uit de voeten.

MARIA FOERIER: Wat is het criterium om iemand bij Gopher uit te geven en wanneer verwijzen jullie iemand door naar ‘mijneigenboek.nl’. Gaat het alleen om de kwaliteit van het manuscript?

IMKE BAZEN: De kwaliteit kan inderdaad doorslaggevend zijn, maar het kan ook zijn dat de schrijver graag alle rechten behoudt en er dus voor kiest om een werk in eigen beheer uit te geven.

MARIA FOERIER: Als jullie een manuscript willen uitgeven onder jullie Gopher-logo, hoe gaat het dan verder?

IMKE BAZEN: Eerst maken wij een afspraak met de auteur bij ons op kantoor, zoals wij hebben gedaan, en leggen wij een en ander vast in een uitgeefovereenkomst. Nadat de auteur zijn of haar investering van 1500 euro heeft voldaan, beginnen wij met de redactie van het manuscript. De geredigeerde versie sturen wij per e-mail met wijzigingen en/of opmerkingen. Wij verwerken daarna eventueel commentaar op onze redactie en maken afspraken over hoe het boek eruit komt te zien. Als wij al het materiaal compleet hebben, laten wij een lay-out van binnenwerk en omslag maken en sturen de auteur vervolgens een gebonden proef voor een laatste correctieronde. Bij deze correctie gaat het alleen nog om kleine correcties die bij de eerste ronde aan de aandacht ontsnapt zijn.

MARIA FOERIER: Op welke schrijvers uit jullie fonds zijn jullie erg trots?

IMKE BAZEN: Het risico bij dit soort vragen is dat je algauw mensen tekort doet. Het schrijven van een goed, afgerond manuscript is een prestatie op zich. En ons fonds is zeer breed (fictie en non-fictie) en kent zowel ‘onbekende’ schrijfdebutanten als professionals die regelmatig publiceren.

Op het gebied van non-fictie kijken we met plezier terug op de uitgave van het boek van de Amsterdamse vioolbouwer Fred Lindeman die door de directeur van het Orkest van de Achttiende Eeuw in het Muziekgebouw aan ‘t IJ in het zonnetje werd gezet. Maar ook het boek van popjournalist Jean-Paul Heck met een laatste interview met Amy Winehouse in ons land was mooi om te doen. Jort Kelder zorgde met ZKH voor een spetterend mediafeestje.

Non-fictie bestsellerschrijver en voormalig monnik Bert Reesinck debuteerde op tachtigjarige leeftijd met zijn eerste roman, en het negenjarige meisje Myrna al Nashi maakte als allerjongste bij ons haar debuut. Het boek over EFT (afkorting voor Emotional Freedom Techniques) trekt terecht veel aandacht onder onze lezers. We beleven al jarenlang plezier aan de detectives van schrijver en politieagent Henk Goorden, die in het AD de Rotterdamse Appie Baantjer werd genoemd. En zo zijn er vele auteurs met een bijzonder verhaal om trots op te zijn.

Ga terug naar het overzicht

Jippie, de lente, de lente is begonnen

(vrijdag 23 maart 2012)

Filerijden, masturberen
gaten springen in de lucht
zoenen zonder je bril af te zetten

liefdeslessen nemen, de buurvrouw
accepteren, een vakantiehuis boeken
voor een volgend seizoen

teennagels lakken, foto’s inplakken,
bikinilijn harsen, bergschoenen passen,
de klok een uur verzetten

een afspraak afzeggen, je wimpers
laten verven, gaten schieten
in de lucht.

vriendschap en andere ongemakken

(vrijdag 16 maart 2012)

Eén van mijn lievelingsverhalen uit mijn jeugd speelt zich af in Syracuse, een stad die tot 367 v. C. met ijzeren hand werd geregeerd door Dionysius I.  Deze tiran had zich uit een eenvoudig milieu naar de top gewerkt en wenste zijn armoedige afkomst op iedereen te wreken. Door zijn meedogenloosheid en opvliegendheid kwam het dan ook regelmatig voor dat er onschuldige mensen ter dood werden gebracht.

niet erg slim

Dit zinloze geweld wekte de woede van twee vrienden Damon en Pythias. Weg met Dionysius! schreven ze op alle muren van de stad. Omdat Pythias goed kon tekenen, maakte hij er ook nog spotprenten bij, en omdat hij ijdel was, ondertekende hij deze graffiti met zijn eigen naam.

Erg slim was dat natuurlijk niet en al snel werd Pythias opgepakt. Over de graffiti werden plakkaten gehangen waarop met schreeuwende letters stond geschreven dat de arme jongen over zeven dagen om exact drie uur in de middag in het openbaar zou worden gevierendeeld. Hier schrok de ijdele Pythias toch wel van en hij smeekte Dionysius hem te laten leven.

onvermurwbaar

‘Geen denken aan,’ zei de tiran en ging door met het plakken van de plakkaten.
Opnieuw deed Pythias een knieval voor zijn leven, maar Dionysius was niet te vermurwen.
‘Als ik dan toch moet sterven,’ vroeg Pythias uiteindelijk gelaten, ‘mag ik dan tenminste eerst naar mijn ouderlijk huis om afscheid te nemen van mijn familie? Het is nog geen drie dagen reizen van hier en ik zweer met mijn hand op mijn hart dat ik weer terugkom. Precies om deze tijd over een week zal ik me melden bij dit schavot.’
‘Denk je dat ik achterlijk ben?’ Dionysius greep woedend naar zijn zwaard en zou Pythias eigenhandig doodgestoken hebben, als Damon op dat moment niet tussenbeide was gekomen.
‘Laat mijn vriend Pythias gaan,’ zei hij, ‘ik weet zeker dat hij zich aan zijn belofte houdt en binnen een week terug zal komen om zich te laten vierendelen.’

koelbloedig

Dionysius lachte kort. ‘Als jij dat zo zeker weet,’ zei hij en kneep zijn ogen tot smalle spleetjes, ‘dan ben je vast wel bereid om de plaats van je vriend in te nemen zolang hij weg is. En als hij niet op tijd terug is, zal jij moeten sterven in zijn plaats.’
‘Afgesproken,’ zei Damon koelbloedig.
‘O nee,’ riep Pythias uit,’ dat wil ik niet, stel dat ik een ongeluk krijg.’ Toch klonk er hoop door in zijn stem en zijn ogen begonnen te glanzen.
‘Ga jij maar snel naar je familie om afscheid te nemen,’ nam Damon zijn laatste bezwaren weg, ‘ik neem jouw plaats wel in.’

te laat

Meteen daarop sloot Dionysius hem op en werd Pythias vrijgelaten die zich stante pede klaarmaakte voor de reis. Hij pakte snel wat kleren, zadelde zijn paard en gaf het meteen de sporen.
‘Zorg dat je op tijd terug bent,’ riep Damon zijn vriend nog na, ‘over zeven dagen om exact drie uur moet je…,’ maar Pythias hoorde hem al niet meer.

Dionysius schudde vol verbazing zijn hoofd. ‘Wat ben jij dom,’ zei hij, ‘begrijp je dan niet dat die zogenaamde vriend van jou zal profiteren van je vertrouwen? Hij is straks bij zijn familie. Ook aan hen heeft hij verplichtingen.’
Damon staarde ongenaakbaar voor zich uit en antwoordde niet.
‘Domme man,’ zei Dionysius hoofdschuddend. ‘Domme domme domme man. ‘Je bent nog te dom om in te zien hoe dom je precies bent.’

belofte maakt schuld

Het verhaal van de domme Damon ging als een lopend vuurtje door de stad. Er werden weddenschappen afgesloten of Pythias nu wel of niet terug zou komen. Niemand geloofde erin, maar evenzogoed was er hoop en op de zevende dag om half drie verzamelde zich een enorme menigte voor het schavot. Toen het uiteindelijk drie uur sloeg, was er van Pythias nog geen spoor te bekennen.
‘Zeg makker,’ vroeg Dionysius spottend, ‘waar is die kameraad van jou nu, die ‘vriend’ die je zo blindelings kon vertrouwen?’
‘Ik vrees dat hij een ongeluk heeft gehad,’ zei Damon, ‘of dat er iets anders ernstigs is gebeurd.’ Daarna kleedde hij zich uit en liet zich zonder protesteren meenemen door de beulen die vier zwarte paarden aan zijn polsen en enkels bonden, maar net op het moment dat Dionysius de paarden de sporen wilde geven, brak een wit paard door de menigte. Het was Pythias, die grauw zag van ongerustheid en bijna uit zijn zadel viel van vermoeidheid.
‘Ik ben gekomen… net op tijd…’ zei hij volledig buiten adem. ‘Mijn eigen paard… brak een been, en ik kon geen… ander vinden. En toen heb ik… dit paard moeten stelen. Gelukkig ben ik… net op tijd.’ Daarna richtte hij zich tot de wrede Dionysius. ‘Laat mijn vriend onmiddellijk vrij en vierendeel mij.’

tranen met tuiten

Het volk applaudisseerde van ontroering en zelfs Dionysius pinkte een traantje weg. ‘Wat is dit mooi,’ zei hij met onvaste stem, ‘ook in mijn stoutste dromen durfde ik niet te hopen dat er zo’n onvoorwaardelijke vriendschap zou bestaan.’ Onmiddellijk gaf hij de beulen opdracht om Damon uit zijn benarde positie te bevrijden, waarop de twee vrienden elkaar omhelsden. ‘Wat is dit mooi,’ herhaalde Dionysius en begon ongegeneerd te huilen, ‘jullie zijn als broers voor elkaar, nog nooit heb ik zo’n vriendschap gezien.’ Daarna verleende hij zowel Pythias als Damon gratie en smeekte hen in het openbaar of hij alsjeblieft mocht delen in hun vriendschap.

kwetsbaar

Het was vooral de afloop van het verhaal dat mij als kind bij de keel greep. Nadat de wrede Dionysius zich voor de ogen van zijn volk Damon en Pythias om hun vriendschap had gesmeekt, wisselden de twee jonge jongens snelle blikken. Ze wilden hun leven niet opnieuw in gevaar brengen door de vorst te beledigen, maar geen haar op hun hoofd dacht er over vriendschap sluiten met deze wantrouwende en opvliegende man.

‘Two is a company, three is a crowd,’ zei Damon ongemakkelijk.
‘Je kunt nu eenmaal niet meer vrienden hebben dan je hart kan bergen,’ voegde Pythias er verontschuldigend aan toe en Dionysius droop af, eenzamer dan hij ooit was geweest.

Ook ik voelde me belabberd. Zo’n vriendschap als Damon en Pythias hadden, dat wilde ik ook wel. Ik wist alleen nog niet met wie. Natuurlijk had ik wel een ‘beste vriendin’, wie niet? Ik heb haar in geen dertig jaar gezien maar denk nog regelmatig aan haar. Heel af en toe schrijf ik nog een gedichtje voor haar. Zoals dit:

verzachtende omstandigheden zijn er niet

ik ben als kind niet verkracht, niet
mishandeld en ook niet misbruikt

noch door mijn vader, noch door
andere ongure mannen, zelfs meneer
pastoor hield zijn handen boven de tafel

een buurmeisje van mijn leeftijd
was de kwade genius

wat gaf jou die macht Beatrijs Aardtz?


———————————————————————————————————————————————————————–

Ga terug naar het overzicht

dit is geen recensie

(vrijdag, 9 maart 2012)

Een andere schrijver afvallen in het openbaar is nooit verstandig, zeker niet als je eigen literaire debuut nog moet verschijnen. Als je niet alleen kritiek hebt op een zeer bekend schrijver maar ook nog op een belangrijk recensent vraag je als beginnende schrijver echt om problemen. Tenminste, als je die kritiek in de openbaarheid brengt.

Heel even heb ik dan ook getwijfeld of ik dit stukje wel moest plaatsen. Het schrijverswereldje in het Nederlands taalgebied is piep- en piepklein en er is veel kift, achterdocht en achterklap. Gerrit Komrij beschreef het ooit treffend als een processie waarbij iedereen stiekem probeert elkaars kaarsje uit te blazen. Beter zou ik het niet kunnen formuleren.

Het enkele feit alleen al dat ik getwijfeld heb of het wel verstandig was om mijn kritiek wel te spuien zegt genoeg. Ook ik wil iets van het schrijverswereldje: uitgegeven worden nu, straks lovende recensies. Het is dus oppassen geblazen met wat je zegt. En over wie je het zegt. Bah, voordat je het weet heb je zelf vuile handen.

beste vriend

Misschien ligt het wel aan mij, en zoek ik overal veel te veel achter. Ik lees ook te veel fictie. Daar komt het waarschijnlijk van. Van mijn lievelingsschrijvers wil ik sowieso alles bijhouden en als ik dan toch in de boekwinkel ben, kan ik de verleiding zelden weerstaan om niet nog een boek aan te schaffen. Soms omdat ik een opvallend interview heb gezien op tv, een andere keer omdat ik een lovende recensie heb gelezen, en heel af en toe omdat iemand dusdanig veel aandacht in de media heeft gekregen dat ook ik mijn nieuwsgierigheid niet langer kan bedwingen.

Bij ‘Beste vriend’ van Robert Vuijsje, speelden alledrie de redenen een rol: de lovende recensie, de aandacht in de media, en het interview bij Pauw en Witteman. Dat laatste vooral. Wat is die Vuijsje toch een grappige, stuntelige, innemende, veel te dikke, en ontzettend verlegen man. En wat formuleert hij toch moeizaam. En dat voor een schrijver. Wat zou daar achter zitten? Zou die man zijn gaan schrijven juist omdat hij zo stroef converseert? Zou die man helemaal opbloeien achter zijn computer?

Hoewel ik Vuijsjes succesnummer ‘Alleen maar nette mensen’ helemaal niks vond – alleen de eerste pagina was komisch als ik het me goed herinner – werd ik toch nieuwsgierig en kocht zijn tweede boek.

zonde

Er verschijnen ontzettend veel boeken die absoluut de moeite waard zijn, daarom schrijf ik in principe geen recensies over boeken waardoor ik zelf geenszins geboeid ben.  Natuurlijk zijn er uitzonderingen mogelijk. Soms verschijnt er een boek waarvan je enorm hoge verwachtingen hebt – ofwel omdat de schrijver ervan altijd prachtige boeken schrijft, ofwel omdat bijna iedereen er vol lof over is – en als dit dan vies tegenvalt wil ik er in sporadische gevallen nog wel eens iets over kwijt. Maar afgezien daarvan is negeren nog altijd de beste remedie. Lezen is soms net het gewone leven.Een boek dat mij niet boeit leg ik weg voordat ik er iets zinnigs over kan zeggen. Dat is mijn strategie. Dit is dan ook geen recensie,

leesplankje

Dit zou ook helemaal geen recensie kunnen zijn omdat ik ‘beste vriend’ van Robert Vuijsje niet helemaal heb gelezen, nog niet eens een kwart ervan. Dat lag niet zozeer aan de inhoud, maar aan de stijl. Een klein voorbeeldje. Nou ja, klein… wat hier volgt is exact de helft van het allerlaatste hoofdstuk:

We lagen in bed. Het was kinderbedtijd. Sammie huilde. Al een halfuur.
Hij wilde niet slapen, hij wilde naar Morro. Morgen.
In Garapuá kon hij lekker spelen, het strand was mooi, Leandro en hij
waren dikke vrienden, maar hij eiste dat we naar Morro zouden gaan.
Ik vroeg wat hij daar wilde doen.
Hij stopte met huilen. ‘Je weet wat ik wil doen.’ Het huilen ging verder.
‘Waarom moet je naar Morro’ vroeg ik. ‘Wat is daar wat je hier niet hebt?’
‘Je weet wat ik wil doen.’
‘Sammie, we gaan slapen,’ zei ik. ‘Het licht gaat nu uit.’
‘Ik ga niet slapen. Ik ga naar Morro. Morgen.’
Ik probeerde het licht uit te doen. Sammie pakte mijn hand en beet erin.
Ik riep au.

Godallemachtig, het lijkt wel een opstel. Wat een gebrek aan melodie. Wat een gebrek aan fantasie. Wat een gebrek aan suggestie. Die tekst kan zo op een leesplankje. Robert Vuijsje blijkt hetzelfde te schrijven als dat hij praat. Daar moet ik verder dus helemaal niks diepers achter zoeken. Hij hakkelt nog driekwart pagina verder en dan is het gelukkig voorbij.

als een Möbiusband

Het maffe is dat ik me toch zeker meende te herinneren ergens – in een kwaliteitsblad – een behoorlijk positieve recensie over dit boek te hebben gelezen. Maar waar dan? Via google kreeg ik in eerste instantie alleen vrij negatieve boekbesprekingen te zien, maar na een minuut of vijf kwam de vermaledijde positieve recensie dan toch eindelijk naar boven: hij stond in de Volkskrant. Ik citeer:

‘een contemporaine, urban roman, waarin getourmenteerd vaderschap en het verlangen om gezien te worden in elkaar grijpen als een Möbiusband.’

Toe maar, als een Möbiusband. De recensent zegt ook nog iets over de schrijfstijl.

‘in Vuijsje waakt de journalist die kijkt en noteert. Dat levert direct proza op. Vooral in de dialogen, die klinken alsof je erbij staat.’

Direct proza dat klinkt alsof je erbij staat? Gelukkig heb ik in mijn omgeving mensen die in staat zijn om zinnen te formuleren met meer dan vier woorden voor de eerste punt of komma. De recensent bekroont het boek ook nog eens met drie sterren. Drie sterren? Van de vijf? Dat is omgerekend toch meer dan een dikke voldoende. Dat lijkt me echt niet terecht.

smaken verschillen

Natuurlijk, smaken verschillen en ik zal de eerste zijn om te erkennen dat objectieve oordelen niet bestaan, zeker niet als het om literatuur gaat. Maar op een of andere manier geloof ik het niet. Die drie sterren zijn er gewoon teveel. De naam van de recensent kwam me ook al zo bekend voor: Daniëlle Serdijn. En langzamerhand begon het te dagen: die naam, die drie sterren, de Opzij! Ineens wist ik het weer. Ach, Daniëlle Serdijn! haar sterren staan helemaal niet voor haar oordeel over het boek maar voor ‘de urgentie van het boek binnen het totale aanbod van dat moment’.

Ja, dat zijn haar woorden, niet die van mij. Zoiets zou ik ook nooit zeggen, want het lijkt mij – op zijn zachtst gezegd – zeer bijzonder om ‘het totale aanbod van dit moment’ op boekengebied te overzien. Sinds de jaarlijkse oogst aan boeken structureel wordt bijgehouden (1974) worden er jaarlijks ongeveer 40.000 nieuwe boeken uitgegeven. Ruim de helft daarvan is afkomstig uit het ‘grijze gebied’: proefschriften, rapporten en boeken in eigen beheer, de rest hoort bij het door gerenommeerde uitgevers op de markt gebrachte aanbod, toch nog altijd 20.000 exemplaren. En uit deze boekenberg meent deze recensent te weten welk boek urgent is en welke niet?

een kat in het nauw

De laatste keer dat ik haar drie sterren zag geven was krap een half jaar geleden. Het geval is bekend, want zeer breed uitgemeten in de media: het ‘boek’ dat Daniëlle Serdijn had gerecenseerd bleek helemaal niet geschreven te zijn, alleen een aankondiging ervan was door de uitgever de deur uitgedaan. Desalniettemin beoordeelde zij het ‘boek’ in de Opzij als een ‘bomvolle geëngageerde roman’ en ze bekroonde het dus ook nog eens met drie sterren. Maar… dat was dus geen beoordeling, enkel ‘de urgentie van het boek binnen het totale aanbod van dat moment,’ aldus Serdijn.

Ach, een kat in het nauw maakt vreemde sprongen en wie met de rug tegen de muur staat kan weinig kanten op. Ik weet ook niet wat ik zou moeten zeggen als ik er net op was betrapt een recensie te hebben geschreven over een boek dat helemaal niet bestaat.

Serdijn is door de Opzij op staande voet ontslagen, maar De Volkskrant tilt er blijkbaar niet zo zwaar aan. En dat vind ik vreemd. Natuurlijk, iedereen maakt wel eens een fout, en wie is er niet eens een keer te gemakzuchtig, maar als een recensente een boek bespreekt waarvan ze letterlijk geen letter heeft gelezen en daar ook nog eens een positieve beoordeling aan koppelt, vraag ik me toch af waarom iemand dat doet.

Puur gemakzucht kan het niet zijn. Want waarom zou je een boek een ‘bomvolle geëngageerde roman’ noemen als je niet het flauwste idee hebt? Maar wat was het dan? Waren er bepaalde afspraken gemaakt? Is het een kwestie van ‘voor wat hoort wat’? van ‘ons kent ons’? Moest er nog een belofte worden ingelost? Of was het ‘gewoon’ een kwestie van vriendjespolitiek? Wie het weet mag het zeggen.

Minstens zo intrigerend is de vraag wat de redactie van de Volkskrant eigenlijk bezielt om zo’n omstreden recensent in dienst te houden. De waarde van een recensie staat of valt toch bij de geloofwaardigheid van de schrijver ervan. Waren er bepaalde afspraken gemaakt? Moest er nog een belofte worden ingelost? Voor wat hoort wat? Ons kent ons? Gewoon een kwestie van vriendjespolitiek? Exact dezelfde vragen doemen op maar ook hier geen antwoorden.

Ach, misschien ligt het aan mij en zoek ik overal veel te veel achter. Ik lees ook veel te veel fictie. En zo eenvoudig is het dus: alles grijpt in elkaar als een Möbiusband.

oproep

Het schrijverswereldje in Nederland is al klein, maar nog stukken kleiner is de miniatuurvariant van beroemde schrijvers. Misschien juist omdat iedereen iedereen kent is het inmiddels de gewoonste zaak van de wereld geworden dat de ene schrijver de andere aanprijst, heel kort bijvoorbeeld, op de achterflap van het betreffende boek: de zogenaamde ‘blurb’. Saskia Noort, Herman Koch, Kluun, en Robert Vuijsje zelf zijn inmiddels bekende ‘blurb’-leveranciers.

Wat zo’n aanbeveling precies zegt, weet niemand. Ik denk er het mijne van en vind dat overigens vrij onschuldig. Schrijvers – ook beroemde schrijvers – verdienen relatief weinig – vergeleken bij wat ze presteren. Ze moeten dan ook van alles doen om het hoofd boven water te houden – schrijven alleen volstaat niet – maar een recensent die de naam waardig is, zou hier toch boven moeten staan. Je kunt niet knoeien met de kern van wat je doet. Recenseren is toch in de eerste plaats lezen en daar een oprecht verhaal over houden.

Het probleem is dat de meeste recensenten zelf schrijver zijn of althans de ambitie hebben om schrijver te worden. Vanmorgen werd ik wakker met het volgende plan. Er moet toch een manier zijn om oprecht te schrijven – en dus geen vuile handen te maken – zonder half literair Nederland tegen je in het harnas te jagen. Wel, dit is mijn plan: ik doe bij deze een oproep aan alle serieuze schrijvers en uitgeverijen. Stuur mij jullie boeken. Wat me niet boeit, leg ik weg voordat ik er iets over kan zeggen.

Geen nieuws is in dit geval dus slecht nieuws, althans voor de schrijver, maar… niemand weet het, en dat is dan weer het goede nieuws. Discretie verzekerd – vanaf nu dan, sorry Robert en Daniëlle – maar verder niemand hoeft dus bang te zijn voor een negatief stuk. Alleen boeiende boeken verdienen de aandacht. Dus aan alle schrijvers die enige ruchtbaarheid aan hun boeken willen geven, wat let jullie: stuur die boeken maar!

————————————————————————————————————————————————————————————————-

Ik heb trouwens eerder twee blogs geschreven over de onmogelijkheid (en onwenselijkheid ook) van objectieve oordelen binnen de literatuur. Die kun je hier lezen:

ga naar je eerste tekst dat een deel van de samenvatting is van je dissertatie
ga naar de tweede tekst waar wordt gediscussieerd over de subjectiviteit van oordelen aan de hand van de kwaliteit kinderboeken.
ga terug naar het overzicht